(advertentie)

img 6228

- door Ton van Leijen - 

Mijn zaterdagen beginnen met vroege geluiden. Het eerste wat tot me doordringt zijn de vogels: al ver vóór zessen ontwaken ze en laten van zich horen, om dan als door een onzichtbare dirigeerstok weer tot kalmte te worden gemaand. Het volgende is de doffe plof van onze krant die beneden op de deurmat valt. Soms een bliep van iemand die al vroeg digitaal actief is. Maar tot acht uur is het meestal verder nog rustig. Daarna komt het leven in de buurt op gang. En met leven bedoel ik onder andere de geluiden van machines. Zaterdagmorgen, een collectief moment om heggescharen ter hand te nemen, frezen, slijptollen, sloopwerktuigen, grasmaaiers (te vroeg, maar toch), hoge drukspuiten. Het bruisende vrijetijdsleven begint.

Later op de morgen komt er iets anders op gang. Want al dat gesloop, gemaai en gescheer veroorzaakt afval. Dus groeit er een file op de straat richting de afvalverwerker. Auto’s met aanhangwagens, pick-ups enzovoorts trekken in een defilé voorbij, gevuld met takken, braakhout, puin, diversiteit van wat er verder in mee komt. Het hoort bij een enorme bedrijvigheid die we met z’n allen veroorzaken omdat we schuurtjes afbreken, heggen, struiken en bomen verwijderen, en evengoed het weer opbouwen van carports, tuinhuisjes, schuttingen, terrassen, buitenkeukens, opritten enzovoorts. We houden van ons stekje, ons huis, ons erf, en we willen het comfort en de fraaiheid ervan graag verbeteren.

Er zit aan al dat opbouwen en verfraaien natuurlijk iets heel betrekkelijks. Waar veel levens een lange fase kennen van dit alles opbouwen, is er evengoed de omgekeerde fase van het verminderen. In onze laatste levensfasen stoten we bezit af, gaan we meer letten op dingen die niet zo snel vervangen hoeven te worden, op duurzaamheid, op behapbaarheid en onderhoudsarme materialen. Praat met oudere mensen en ze kunnen dit uit eigen ervaring bevestigen. Of denk aan het verkassen naar een seniorenwoning of een verzorgingshuis: van wat je ooit opbouwde aan meubels, servies, muziekcollectie, boeken en verdere inventaris kan vaak maar een klein deel mee. Als krachten afnemen wordt de beperking in beweging kleiner en de horizon beperkter. Je bouwt niet meer op, maar steeds meer af. Je zou dan de conclusie kunnen trekken dat er in al dat verfraaien en opbouwen van ons bezit iets vruchteloos zit, iets zinloos zelfs.

Maar dat is verkeerd. Stel je voor dat jonge mensen de meer relativerende houding aannemen die hoort bij de ouderdom: dat zou de dood in de pot zijn. Het is juist de bedoeling dat elke nieuwe generatie zich ontplooit, dat we ons talent ontwikkelen, onze gekregen creativiteit inzetten, onze wereld in cultuur brengen. Het is waar: je kunt geen duurzaam bezit alleen voor jezelf opbouwen, je kunt het leven niet vasthouden, wat we hier aan bezit opbouwen heeft geen eeuwigheidswaarde. Je kunt het uiteindelijk niet vasthouden. Maar alles op zijn tijd. Iemand die dat met veel wijsheid heeft geobserveerd is de bijbelse Prediker. Hij noemt het zo: er is een tijd om te planten, en een tijd om te rooien, een tijd om stenen te verzamelen en een tijd om stenen weg te werpen, een tijd om te zoeken, en een tijd om te verliezen.

Opbouwen en afbouwen horen beide helemaal bij het leven. Op de vraag wat voor zin het heeft wat wij allemaal doen heeft Prediker ook een antwoord: als iemand eet en drinkt en het goede geniet bij al zijn zwoegen, dan noemt hij dat een gave van God. Die benadering helpt ons om te genieten van de indrukwekkende oude bouwwerken die we in onze vakanties soms bezoeken. De bouwers ervan konden het voor zichzelf niet vasthouden. Op een zelfde manier kunnen we genieten van wat een nieuwe generatie aan goeds opbouwt, ook als we daar zelf niet aan mee (kunnen) doen. Want genieten kan ons niet worden afgenomen, niet worden gesloopt of afgevoerd. Wie kan genieten heeft iets duurzaams gekregen. En natuurlijk: waarom zou je daarmee wachten tot je oud bent.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)